Doorgaan naar hoofdcontent

Oude koffie - Anoniem

De deur van de stationwagon stond nog open. Binnen speelde een liedje op de radio, zo te horen was het van Goldband: ik maak alles kapot, maar niet bij jou.
De twee mannen stonden half in de deuropening, hun vingers verstrengeld. Stil, trillend, hun ogen wijd open, hun pupillen groot.
Finks oudste zoon stond nog bij het hek. Met de punt van zijn schoen maakte hij een figuur in het grijze zand. Dennenappels schoven opzij.
Fink maakte zich even los van de ogen en keek naar de kin van de man. Scheerlicht gleed langs zijn blonde stoppels, toen keek hij naar de lippen die vol waren en mooi en naar de huid van zijn wangen. Daarna werd hij terug gezogen naar de donkere pupillen die als diepe, gevaarlijke bosvennen waren waar hij zich graag in zou baden, waarin hij zich zou willen onderdompelen, verdrinken, naar de bodem zakken, die misschien geen bodem hadden, de pupillen waarin een vraag leek te liggen, en tegelijk ook verwondering, die naar hem leken te dorsten.
Een gezin met een bolderkar liep zwijgend langs. De vader had een alpinopetje op. Hun slippers kletsten zacht tegen hun blote voeten. Een eekhoorntje kroop langs een boomstam omhoog. Een bries ging door de toppen van de dennen en de specht was ook al weer ergens aan het kloppen. Het bos geurde naar dennenhars en warm zand.
"Wie ben jij toch?" fluisterde Fink.
De man tegenover hem knipperde eenmaal met zijn ogen. Plotseling keek hij opzij, over Finks schouder. De donkere boomstammen waren zichtbaar in de weerspiegeling van zijn irissen. Een traan biggelde op de rand van een der oogleden.
Fink kneep in zijn hand. "He, he, rustig maar, wat is er?"
"Dit is gênant," zei Bram. Hij maakte zijn handen los en wreef in zijn ogen. "He verdomme."
"Het geeft niet."
Bram leunde tegen de auto en keek om zich heen. "Dus een camping, he?"
"Ze denken dat we vrienden zijn."
"Je ouders?"
Fink legde zijn hand op Bram's heup, boog voorover en keek de auto in. Hij zwaaide naar het kind dat op de achterbank zat op een plastic stoelverhoger. Het kind lachte met een scheve mond en zwaaide terug.
"Ik wil het ze zó graag zeggen," zei hij toen hij terug omhoog was.
"Waarom?"
Fink antwoordde niet.
"Serieus, waarom zou je het zeggen?"


De stroopwafels waren keurig in vieren gesneden en de kwarten lagen op een bruin plastic bordje. Zijn moeder schonk koffie uit een bruine thermoskan in een bruine plastic mok. De kinderen reden op roestige skelters tussen de tenten en maakten motorgeluiden.
"Fink zegt dat je bij de ANWB werkt," zei zijn vader.
Brams ogen flitsten even opzij naar die van Fink. Hij schraapte zijn keel.
"Heb je er wat in?" zei de moeder.
"Hij heeft altijd verhalen over de ANWB," zei Fink, "vertel eens over die keer dat die vrouw op de snelweg niet wilde zeggen waar ze was."
En Bram vertelde over een vrouw die met pech langs de kant van de weg had gestaan en had geweigerd het hectometerpaaltje op te lezen omdat "die aardige man van de wegenwacht haar de vorige keer ook gewoon gevonden had."
"Ongelooflijk hoe dom mensen zijn," zei de vader. En hij voegde eraan toe: "gewoon dom."
"U heeft een mooi plekje hier," zei Bram. Toen hij aan de koffie rook, fronste hij even, maar hij nam toch een slok.
"Wil je een stukje stroopwafel? Ik snij ze altijd in vieren."


Ze liepen over een smal bospaadje achter de camping. Fink trapte tegen een dennenappel. Een lading zand vloog mee de lucht in. "Ik word gek. Ik word gek, gek, gek."
"Het geeft toch niet, het is niet erg."
"Ze willen me niet kennen. Ja, ze willen me kennen als ik de brave huisvader ben. Die op zaterdag de auto wast en het gazon maait. Verdomme. Verdomme. Het is allemaal nep. Alles, alles is nep."
Bram haakte zijn vinger in het lusje van Finks broek, hield hem tegen en draaide hem naar zich toe. Zo stonden zij in het warme zonlicht naar elkaar te kijken. Weer was er verbazing in hun blikken en zelfs schrik. Hun ademhaling werd oppervlakkig en hun neusvleugels trilden.
Bram zei: "als je klaarkomt, denk je dan aan mij?"
"Ik denk altijd aan jou. Je hangt als een halo om me heen. Zelfs als ik bij Iris ben. Jij bént mij."
Er verscheen een kronkel in Brams wenkbrauw.
"Hou me vast alsjeblieft. Ik denk dat ik val."
Zij drukten hun voorhoofden tegen elkaar en keken elkaar in de ogen. Zo bleven zij een tijdje staan.
Iets verderop in het bos klonk gelach en geschreeuw van hun beider jongens die zij met de grootouders vooruit hadden gestuurd naar het ven. Ook klonk er gebries van een paard. Om hen heen knisperde en kraakte het bos. De wilde natuur leefde het leven. "Waar heb ik nou die suikerklontjes?" zei de stem van Finks moeder.
"Je ouders zijn echt heel erg aardig."
Fink sloot zijn ogen. Hij leunde tegen Brams voorhoofd. "Ik word geil van je," fluisterde hij.
Bram sloeg nu zijn armen om Fink heen en trok zijn hele lichaam tegen zich aan. Met zijn lippen vlak bij Finks oor, fluisterde hij: "ik denk niet dat ik dat kan, lief."
"Ik weet het, vind je het niet erg dat ik op je geil?"
Op dat moment schalde er een hoge gil door het bos en klonk er gehinnik en geschreeuw dat echode tussen de boomstammen. "Pas op!" riep zijn vader, "Mary pas op! Fort! Hu! Huuu!!!"
"Shit," riep Fink, ze lieten elkaar los en renden over het smalle bospad in de richting van het geluid. Jonge loten en brandnetels sloegen langs hun benen. Brams das wapperde over zijn schouder.
Toen zij bij het ven kwamen zagen zij op de zanderige oever een steigerend paard. Het trappelde wild met zijn benen en daaronder lag een figuur in een gebloemde jurk in foetushouding. Finks vader stond op één pas afstand en hield zijn handen in de lucht naar het paard dat echter al steigerend meer dan twee meter boven hem uittorende. "Huu!" riep hij, "huuu!"
Iets verderop, hun voetjes in het zwarte water, stonden de twee blonde jongens met opengesperde monden. Zij hadden allebei een tak vast.
Wat er op dat moment met Fink gebeurde is achteraf moeilijk te begrijpen, ook voor hemzelf. Misschien was het zijn afkomst? Hij was afkomstig van generaties en generaties Drentse en Veluwse boeren, van Italianen uit Florence en van handelaren en kerkgeleerden uit Duitsland. Misschien zat er in al dat bloed dat hem voor was gegaan iets dat zorgde dat hij deed wat hij nu deed. Maar dat is slechts een lekenverklaring van deze schrijver. Misschien was het gewoon niet te begrijpen.
Hoe het ook zij, wat er gebeurde was het volgende: Fink spurtte weg bij Bram, legde in minder dan vijf seconden de tiental meters tussen de boomstammen af en toen het paard met een dreunende klap weer neerkwam op de zandgrond, haar hoeven rond de liggende figuur die haar handen om haar hoofd had, stond Fink al naast haar. Het paard trappelde nog, en er gingen schokgolven over haar bruine vacht, maar Fink keek het in het grote, donkerbruine, glimmende oog. "Stil maar," zei hij zacht, "stil maar." Hij liet het paard zijn opgestoken hand zien en legde deze toen langzaam in haar hals. "Stil maar, ik ben bij je."
Hij paard zakte wat door haar achterbenen en stampte nog eenmaal met een hoef op de grond waarbij zwart stof opspatte dat langzaam wegdreef in de boslucht. Het brieste en slijm spatte van haar lippen. Schokken gingen door haar lijf.
"Stil maar," zei Fink en daarna liet hij een zachte toon uit zijn mond komen: een warm brommende "mmmm".
En het paard stond stil. Het zwiepte nog slechts schokkerig met haar staart.
"Kom maar Mary, kom maar," klonk zijn vaders stem vanaf de andere kant."
"Mijn oor, mijn oor," piepte zijn moeder. Vanuit zijn ooghoek zag Fink bloed in het zand liggen, maar hij was te geconcentreerd op het paard om er aandacht aan te besteden. Er lag ook een plastic boterhamzakje waar zo te zien suikerklontjes in zaten.
Hij legde zijn hand op de bles van het paard. "Ik ben bij je," zei hij, "rustig maar."
"Jongens, kom maar even uit het water, langs deze kant," zei Bram.
"Is het erg?" zei zijn moeder.
"Ja met Alberti hier," zei zijn vader, "Oh... Ehm... Ik weet het niet. Een ongeluk... Ja... Nee... Een paard. Nee, een ambulance is niet nodig."

De politieman rook aan het plastic koffiekopje en zette het zonder een slok te nemen terug op de campingtafel.
Finks moeder zat met een deken om haar heen in de ligstoel. Ze had een verband om haar oor dat met grote stukken tape vastgeplakt zat.
De politieman keek naar de tablet op zijn schoot. "U moet goed begrijpen: het zijn wilde paarden. Het staat duidelijk op de bordjes. Afstand houden."
"Wild," zei Finks vader, "ik snap het wel, ik snap het wel. Maar dit is onverantwoord meneer. Mijn vrouw had wel dood kunnen zijn."
"Ik wou het alleen een suikerklontje geven. Zo'n beest moet toch eten. Het is stank voor dank."
De politieman veegde met zijn vinger over het scherm.
"Kan er dan niet wat aan gedaan worden? Er zijn hier ook kinderen he. Moeten die dat allemaal zien? Die kinderzieltjes. Dat rotbeest heeft een hap uit mijn oor genomen!"
De vader legde een hand op haar knie.
"U moet goed begrijpen dat wild echt wild is. Wild is niet een beetje wild. Wild is wild."
"Dat begrijp ik wel," zijn vader glimlachte, "ik begrijp het heel goed zelfs. Het is wild. Maar onze vraag is: kan het niet wat minder wild? Wat veiliger? U begrijpt toch dat wij hier op vakantie zijn?"
"Ik weet niet of ik kan slapen vannacht. En de jongens dan, de jongens."
De jongens renden achter een vlieger aan die de oudste probeerde op te laten in het windstille weer.
"Wilt u nog koffie?"
"Nee, nee, dank u. Als u hier kunt tekenen. De boete komt neer op honderdvijfentwintig euro voor uw vrouw en vijfenzeventig euro voor u. Dat maakt samen..."
"Boete?" zei zijn moeder, "boete? Waar heeft u het over?"
"Ik heb zojuist proces verbaal opgemaakt van wat u mij verteld heeft. Daarop staat een boete mevrouw. U mag nog blij zijn dat ik u niet ook nog..."
Finks vader kreeg rode vlekken in zijn hals.
Bram en Fink keken elkaar aan.



Vond je deze tekst leuk? Deze schrijver wil graag meer lezers. Je kunt hem/haar op de volgende manieren helpen:
- Geef hierboven een hartje. Meer hartjes betekent meer lezers voor deze tekst.
- Laat hier beneden een reactie achter. Ook dit trekt weer nieuwe lezers aan.
- Stuur dit verhaal naar iemand die van lezen houdt.
Namens de schrijver: heel erg bedankt voor je hulp!! ❤

VOLGEND HOOFDSTUK >
Info - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7

Reacties

  1. Oh een nieuw deel, wat leuk!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Zijn wij zo wild als de paarden? We eten dan niet langer uit de hand, maar we willen niemand pijn doen. Deze wildernis is echter maar beperkt. Wat kunnen we anders doen dan een hapje nemen uit een oor.
    Ben ik zo wild als de paarden? Met jou steiger ik zo ongeremd. Tem me, stel me gerust. Leid me voorbij de angst.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ik leg mijn hand wel in je hals. Maar verwacht niet dat je daarmee getemd bent. Hoogstens gerustgesteld.

      Verwijderen

Een reactie posten