We zagen het meteen toen we het tuinhek openduwden: het glas van voordeur lag in scherven. We stapten over het pad, langs de vergeelde hortensia's die we niet hadden gesnoeid. De deur stond op een kier. We wisten zeker dat we hem hadden dichtgetrokken.
Voetstappen in de hal. Zanderige afdrukken richting woonkamer. We hielden onze adem in en luisterden. Na een minuut stilte slopen we naar de huiskamer.
De kussens van de bank lagen op de grond, evenals de boeken uit de boekenkast. Oma's klok, die altijd iets voor liep, lag met gebroken wijzers onder de salontafel. De la van het dressoir stond open. Brieven, onze oude paspoorten, vakantiefoto's, batterijen, rollen plakband … Alles overhoop. We gingen de rest van het huis door, maar misten niets.
Bij de tuindeur vonden we de voetstappen terug. Voor de vijver lag iets zwarts. We openden de deur en liepen erheen.
Het was 'Kraai'. "Onze" kraai, al wisten we niet zeker of het steeds dezelfde was, die elke ochtend en middag zijn kostje in onze tuin bij elkaar scharrelde. Nu lag hij op zijn zij, zijn vleugels onnatuurlijk gespreid. We bogen ons samen over hem heen. Zijn ogen waren halfopen, dof, melkachtig. Er zat een touwtje met daaraan een sleutel met het label 'Tuinberging' aan zijn poot. Dit was geen buit van 'Kraai' beseften we.
We knoopten de sleutel los en namen hem mee naar binnen. 'Kraai' zouden we later begraven.
We sloten alle deuren en zetten thee. Theezetten was onze oplossing als we even niet wisten wat we moesten doen. We waren het erover eens dat we de politie erbuiten zouden houden. Wat moesten we zeggen? Dat iemand 'Kraai' vermoord had om ons iets duidelijk te maken? Gestolen was er niets.
We wachtten tot het donker was, omdat we niet gezien wilden worden. Met een zaklamp gingen we naar de berging. Binnen rook het naar schimmel. We lieten het licht over de spullen glijden: een hark, een gieter, blikken beits en verf, bloempotten, een parasol, de grasmaaier. En toen zagen we het. Achterin. Ons schriftje. Niet van één van ons, maar van ons samen. Onze woorden, onze plannen, opgeschreven toen we nog geloofden dat we het leven konden plannen. Hoe het in de schuur terechtgekomen was, wisten we niet meer. We bladerden het door. Onze handschriften liepen soms door elkaar. Zinnen door de een begonnen en afgemaakt door de ander. Geen enkele pagina helemaal van één van ons.
Op de laatste bladzijde stonden onze namen. Niet in ons handschrift …
Buiten kraste een vogel. Of ging onze verbeelding nou met ons op de loop?
We sloten het schriftje, keken elkaar aan. Vannacht zouden we geen oog dichtdoen.
Vond je deze tekst leuk? Deze schrijver wil graag meer lezers. Je kunt hem/haar op de volgende manieren helpen:
- Geef hierboven een hartje. Meer hartjes betekent meer lezers voor deze tekst.
- Laat hier beneden een reactie achter. Ook dit trekt weer nieuwe lezers aan.
- Stuur dit verhaal naar iemand die van lezen houdt.
Namens de schrijver: heel erg bedankt voor je hulp!! ❤
Reacties
Een reactie posten